Een project van Jeroen. Je kunt het lezen of niet.

Het voetbalveld

Zonder het te beseffen was ik in mijn oude buurt. Ik was afgedwaald, verloren in gedachten, en was meerdere bushaltes te laat uitgestapt. Ik mopperde wat op mijzelf en ritste mijn jas dicht. Het was koud en nu moest ik zeker een half uur terug wandelen naar huis. De straten van mijn jeugd waren verlaten. Ik keek naar de oude brug over de dichtgevroren sloot. Aan de andere kant het verlaten voetbalveld, glinsterend gras onder de volle maan. Verlichting stond er niet. Het veld lichtte op onder het maanlicht, maar eromheen grijnsde het duister mij onheilspellend toe. Grote bomen, dichte struikgewassen. Duizenden uren heb ik op dit voetbalveld doorgebracht toen ik jong was, maar nooit na zonsondergang. Als het licht verdween, kwamen de beestjes tevoorschijn. Zelf heb ik ze nog nooit gezien, maar ik geloofde vurig dat ze er waren. De stoerste jongens van de klas liepen in het donker met een grote boog om dit voetbalveld heen en ik was niet bepaald de stoerste van de klas. Waar zij liever een blokje om liepen, liep ik er twee.

Maar dat was toen en dit is nu. Ik ben zesendertig jaar oud. Thuis wacht er een mooie vrouw op mij. Twee lieve kinderen, een ongeduldig hondje en een oude, mopperige kat. Een blokje om, of twee zoals ik vroeger deed, kost me een kwartier langer. Een kwartier zonder de broodnodige warmte van mijn gezin en mijn kachel. Het is pas half zeven in de avond, maar het vriest al sinds de zon ons twee uur geleden achterliet met schemering en duisternis. Ik steek mijn handen diep in mijn broekzakken en steek de brug over. Al bij mijn tweede voetstap kraakt er iets onder mijn voet. Ik lach nerveus en vertel mijzelf dat het slechts de bittere kou is die het oude hout zachtjes splijt. In mijn oren draag ik twee dopjes met fijne, zachte muziek. Ik weet niet zo goed wat nu verstandig is; de muziek juist laten spelen omdat het een fijne afleiding is, een beschermend laagje tegen de verleidingen van de angst, of mijn aandacht volledig richten op het aanstormende duister. Ik besluit de muziek te behouden, maar zet het volume wat lager. Als ik aan de andere zijde van het korte bruggetje ben, twijfel ik nog even. Ik kijk om naar de lege, doch goed verlichte straten en dan weer recht voor mij. De maan staat precies tegenover mij aan de hemel. Vele duizenden kilometers boven het doel aan de overzijde van het voetbalveld. De grassprieten zwijgen, maar glinsteren als duizenden edelstenen. De wind is volledig stil en de omringende bomen en struiken aanschouwen mij in een ijzige stilte, die mijn bloed doet stollen. Dan haal ik diep adem, trek de oordopjes uit mijn oren en stap het voetbalveld op.

Een echt voetbalveld is zo'n honderd meter lang, dit trapveldje misschien zelfs kleiner. Het is een openbaar grasveld, grenzende aan de leegstaande basisschool links ervan. Ik kijk naar links en zie de punt van het lage gebouw net boven een serie struiken uitsteken. De toren in het midden geeft het gebouw de uitstraling van een ruimteschip. Nu, in het licht van de volle maan, wordt dat nog mooier zichtbaar. Ik kan mij niet herinneren of ik vroeger wel eens heb genoten van de schoonheid van mijn basisschool in het licht van de maan. Maar vroeger kwam ik hier nooit in het donker, vanwege de beestjes.

De beestjes, de beestjes. Groot en klein.
Je kan wel rennen, maar ze zullen altijd sneller zijn.
De beestjes, de beestjes. Pikzwart en bloedrood.
Als ze je eenmaal zien, ben je zo goed als dood.


Rijmpjes van vroeger echoën door mijn hoofd. De bijbehorende verhalen ook. Verteld door ouders en leraren. Eindeloos herhaald door alle kinderen van deze buurt en de school in hun midden. De school, lang geleden verlaten. Het echte verhaal heb ik nooit precies begrepen, maar er was een meester en er waren kinderen. Er gebeurde van alles en toen de mist was opgetrokken, was er geen ouder meer in de hele stad die zijn kind naar dit gebouw wilde brengen. Het was verlaten in een oogwenk. De verhalen over de beestjes, groot en klein, werden er alleen maar enger van. Aan dit alles had ik al jaren niet meer gedacht. Tot nu. Langzaam loop ik over het vochtige, keiharde gras, links van mij de bessenstruiken met hun nare doorns, rechts van mij de hoge bomen, met daarachter de bevroren sloot. Als ik mijn linkervoet op de vervaagde middenstip zet, grijpt de angst mij weer bij de keel als een plots teruggekeerde boemerang. Ik probeer haar weg te slikken en wil zachtjes een kerstliedje zingen, maar de gedachte in mijn hoofd laat zich niet wegjagen. Het is er maar eentje en ze is onredelijk, toch overheerst ze mijn hele denken. Als er nu iets gebeurt, kan ik geen kant op.

Uit mijn bungelde oordopjes bereikt mij een flard muziek. De man met de gouden strot zingt gewoon verder en ik doe mijn best de muziek de overhand te geven. Het lukt niet. Er heeft zich iets in mijn hoofd genesteld. Alsof er iets op mijn schouder zit dat constant in mijn oor fluistert. Ik rol met mijn schouders en haal mijn handen uit mijn zakken. Hoewel ik weet dat er niets op mijn schouder zit, schrik ik toch van mijn eigen gedrag. Het laatste greintje redelijkheid verdwijnt en nu ben ik echt in paniek. Wat zei de dokter ook alweer? Rustig blijven ademen en afwachten. Angst beweegt in een curve en als je eenmaal beseft dat er niets gebeurt, zal de rust vanzelf wederkeren. Ik haal adem en loop, ik ben op tweederde van het voetbalveld en begin nu aan het donkerste deel. De maan verdwijnt achter de bomen. Het paadje dat mij het veld af moet leiden, had ik al moeten zien. Ik wil er naartoe rennen, maar beweeg mijzelf dan nog verder het duister in. Inmiddels buigen de bomen woest in een onzichtbare windvlaag. De struiken dansen mee en in het eindeloze donker dat mij omringt beweegt van alles. De wereld is een onmetelijke brei zwart geworden. En toch zijn er nog verschillende kleuren zwart te herkennen. Mijn ogen schieten van links naar rechts en terug. Overal beweging en toch niets. Ik sta zelf nog steeds stil op de grens van duister en halfduister. De maan ziet slechts mijn bovenlichaam. De rest is verhuld in het immense zwart. Ik moet verder, ik weet het wel. Met mijn laatste restjes logica verwerp ik alle angsten nogmaals naar het land der fabels en stap het duister in.

Precies drie stappen weet ik mijn kalmte nog enigszins te bewaren. Dan is het voorgoed weg en zet ik het op een lopen. Verder het donker in, naar het nog altijd onzichtbare pad in de verre linkerhoek. Ik ren langs de cornervlag en moet er nu ieder moment zijn, maar voor mij wijst niets op een pad. Het duister vormt een muur en is in alle richtingen precies even pikzwart. Ik zoek naar verlichting, stralen van de straatlantaarns die aan de andere kant van het pad horen te staan. Daar stonden ze vroeger, maar ik ben hier al jaren niet meer geweest. Ik tuur in het donker, hijgend, met het kippenvel op mijn rug en armen, Nog maar twee stappen naar voren dan, maar er verandert niets. Het zicht blijft onzichtbaar en alle licht is verdwenen uit mijn leven. Ik moet terug, maar nu ik hier ben, in het verstikkende donker, durf ik mij niet om te draaien. Ik kan het niet. Alles wat er bestaat aan monsters, duivels en beestjes, heeft zich verzameld op dit voetbalveld. Met zijn honderden, duizenden staan ze achter mij. Klaar om mij te verslinden. En het enige waar ze op wachten is het moment dat ik mij omdraai. Opdat ik ze allemaal in volle glorie kan aanschouwen. Onder het zwakke schijnsel van de weerloze maan. De maan, mijn trouwe makker in donkere nachten, laat mij danig in de steek. Ik graai mijn telefoon uit mijn zak en wil mijn geliefde bellen. Als ik hier sterf, dan niet zonder enkele laatste woorden aan haar te mogen richten. Terwijl de telefoon over gaat, besluit ik mij om te draaien. Ik zal mijn geliefde niet te woord staan als angsthaas, maar als man. Met durf en kracht.

Mijn hart dreunt in mijn hoofd als ik mij omdraai. Ik slik, maar mijn keel is te droog en ik begin te hoesten. Als de hoestbui over is, kijk ik op. Geen monsters, geen duivels. Even kort de opluchting. Dan een lichtje in het gras. Het komt snel naderbij. En daar links nog eentje. Ook van rechts komen er lichtjes mijn kant op. Ze racen door het bevroren gras, ik hoor het groen kraken. Tientallen tel ik er nu en iedere seconde zie ik er meer. Het krakende gras is alles wat ik hoor. En dan neemt ze op.

'Hey lief. Waar blijf je?'


Dit verhaal heb ik in december 2016 ingestuurd voor de schrijfwedstrijd van editio.nl - de stembussen zijn inmiddels gesloten.

-----

aaprijdtkever.nl is een project van Jeroen Kraakman.
Schrijver. Dichter. Columnist.


aaprijdtkever.nl 2007-2017