Kerstverhaal: Het huis op de hoek

Mensen zijn gewoontedieren. Toen ik naar Assendorp verhuisde, was ik letterlijk verdwaald. Ik kende de weg niet. Ook de mensen kende ik niet en zelfs in de supermarkt moest ik mijn vertrouwde producten opnieuw vinden. Maar zoals dat gaat, went het vanzelf in een nieuwe stad. Met het verstrijken van de tijd leerde ik de geelgekleurde supermarkt steeds beter kennen. Ook de vele kronkelende straten van mijn nieuwe thuis ontdekte ik gestaag. Het station was als de zon, een goede graadmeter om mijn positie te bepalen en op mijn vele wandelingen door de wijk ontdekte ik de mooiste plekjes. Eenzaam slingerende schommels aan dikke boomtakken. De mooiste gebouwen. Klassieke stadsmonumenten, nog immer bewoond. En altijd die fijne sfeer die kenmerkend is voor een oude stadswijk als Assendorp. Nu het einde van het jaar nadert, heb ik vaste routes naar het station, mijn werk en de binnenstad. Ook wandel ik nog steeds tweemaal per week door de knusse straten van de wijk en bekijk dan de huizen en winkels, maar vooral de mensen die de straten bevolken. Inmiddels heb ik een aantal plekjes waar ik altijd even langsloop. Op één van deze plekjes treft mij iedere keer een bepaald huis.

Door grote ramen is het eenvoudig naar binnen gluren. Waar een oudere dame op een massieve, oude stoel zit. De televisie schettert en lijkt het enige moderne element in een woning die verder volgestouwd staat met donkerbruine meubels, fotolijstjes en schilderijen. Het is een vertrouwd beeld bij mensen op zo'n leeftijd dat zij meer mensen hebben verloren dan dat zij nog zullen ontmoeten. Het verleden is waarin zij zich terugtrekken, waar oude vrienden nog leven en lichaam en geest nog buigzaam bleken. Maandenlang wandel ik aan dit stilleven voorbij. Terwijl aan mijn kant van het raam de seizoenen voorbij schuiven, verandert aan de andere kant niets. Zelfs ik verander, slippers en korte broek worden omgeruild voor schoenen en spijkerbroek. T-shirt wordt vest en uiteindelijk winterjas. Binnen blijft het leven bruin en zachtjes. Daar verdwijnen de dagen stilletjes in het afvoerputje van het menselijk geheugen. De zomer verloor haar warmte, zoals de bomen hun bladeren. De kou nam alles over en uiteindelijk werd het echt guur buiten. De herfst regeerde, Sinterklaas kwam het land binnen en verdween weer, vervolgens kwamen de eerste kerstbomen. En ik bleef wandelen en langsgaan. Altijd voel ik mij even bekeken, als ik voorbij wandel, zoals zij dit vast ook voelt. Om dit gevoel weg te nemen, stak ik eens in een jolige bui mijn hand op. Ze zwaaide terug en een traditie was geboren. We zijn vaste zwaai-vrienden. Ik vroeg mij al eens af of we elkaar zouden herkennen in de supermarkt, maar dat denk ik niet. dat hoeft ook niet. Wij hebben een verbintenis gevonden die voldoende is.

Gisteravond liep ik weer door de wijk. Via het Wezenlandenpark en het oude ziekenhuis. Langs het klooster en dan de Assendorperstraat over. De kleine straatjes in. Ik hoorde zachte kerstmuziek, de sfeer was gemoedelijk. Kerkklokken beierden over koude daken. Na een woeste middagstorm, regende het nog zachtjes onder warm straatlicht. Inmiddels zag ik overal kerstbomen achter de ramen. Groot en klein. Vaak gecombineerd met andere lichtjes in de raamkozijnen. De straten zijn een vrolijke, kleurrijke bende deze weken. Behalve bij mijn vaste zwaai-vriendin, wiens naam ik niet ken. Binnenshuis brandde een schemerlamp, de televisie stond aan: pratende hoofden schoven voorbij. Zij zat in haar stoel, keek op naar een beweging op straat en zwaaide kort naar mij. Peinzend liep ik door. De regen blies in mijn gezicht, de wind aaide zacht mijn haren. Terwijl ik op huis aanging, liet het huis op de hoek mij niet meer los. Waarom had zij geen kerstboom? Zou ze een hekel aan kerst hebben of niemand om dit mee te vieren? Ik moest er meer van weten en nam een besluit. Morgen zou ik aanbellen. Met een klein kerstboompje! Trots op mijzelf en dit besluit, liet ik het huis op de hoek voor wat het was en richtte ik mij op het dagelijks leven.

En nu is het zover en vind ik het toch wel spannend. Met een klein kerstboompje, inclusief ballen, lichtjes en een slingertje, in de ene hand en een doosje kerstkransjes in de andere, loop ik de mij steeds vertrouwdere straten over. Ik ben zenuwachtig. Ik heb een beeld gevormd in mijn hoofd, van een zielige oudere vrouw, eenzaam en verlaten. Misschien slaat ze de deur wel in mijn gezicht. Ik kan nu niet meer terug en dat wil ik ook niet. Eenmaal aangekomen bij het grote raam dat ik zo goed ken, staat de televisie niet aan. Ook de schemerlamp is gedoofd. Ik weet al genoeg, maar bel toch aan. Er komt geen reactie. Shit! Sta ik hier met mijn boompje en kransjes. Wat nu? Ik aarzel even, maar heb geen keuze. Terug naar huis en later nog maar eens proberen. Ik druip af en wandel zonder verder op of om te kijken de smalle straatjes af terug naar huis. Bij een ander herkenningspunt van mijn vaste rondjes sta ik even stil en lees ik de opgeplakte kerstbrief die ik al meerdere keren zag. Het betreft een kerstviering waar ik graag even bij was gaan kijken, maar mijn kerstdagen zitten, zoals bij velen, volgeboekt. Dan voel ik een hand op mijn schouder. Ik draai mij om en zie een bekend gezicht. Een bekend gezicht, maar de bijbehorende naam ontbreekt.
'Hallo. Alles goed?'
Ze begint te lachen.
'Je herkent mij zeker niet buiten mijn huiskamer?'
Ik voel mijn wangen opwarmen en begin schaapachtig te lachen.
'Nee, sorry. Maar ik ben wel blij dat ik je tref. Ik stond net voor je huis, met twee kerstcadeautjes.'
Enigszins beschaamd kijk ik naar het boompje in mijn hand.
'Wat lief. Kom anders even mee naar binnen. Ik heb ook wat voor jou.'
Schaamte wordt verbazing en zwijgend volg haar naar de woning die ik zo goed ken. De wereld is heel anders aan deze zijde van het raam. Stiller. Verder weg. Alsof ik er geen onderdeel van uit maak. De tijd staat hier stil. Ik geef haar de kerstboom en kransjes, ze pakt ze van mij aan en zet ze op een tafeltje. 'Dankjewel. Dat vind ik echt heel lief van je. Mijn naam is Marie.' Ze steekt haar hand uit en ik pak deze aan. 'Jeroen. Ook al duurt het nog een paar dagen, alvast een fijne kerst.' Ze haalt een pakje uit haar tas en geeft mij deze. Ik moet haar beloven het pakje thuis onder de kerstboom te leggen en pas op Eerste Kerstdag uit te pakken. Wat ik uiteraard doe. We kletsen even over onze plannen en ze blijkt Kerstmis te vieren bij familie in Duitsland. In het nieuwe jaar verwacht ze weer terug te zijn en dan kunnen we weer naar elkaar zwaaien, zegt ze met een knipoog. We nemen afscheid en met een warm hart wandel ik terug naar huis. Ik leg het pakje onder de boom en als er later naar gevraagd wordt, doe ik geheimzinnig.

De laatste dagen voor Kerstmis wandel ik nog tweemaal langs het huis op de hoek. De gordijnen zijn gesloten, erachter brandt geen licht. Op eerste Kerstdag maak ik het pakje open, er zit een handgemaakte muts in en een briefje. Voor de eenzame wandelingen in de winterse kou, fijne Kerstmis. Tot zwaais, Marie

Op tweede Kerstdag kan ik het niet laten om toch even langs het huis op de hoek te lopen. De gordijnen zijn geopend en nieuwsgierig kijk ik naar binnen. De stoel is leeg, maar op het kleine tafeltje ernaast staat het kleine kerstboompje. De lampjes branden vrolijk. Ik begin als vanzelf weer te glimlachen. Tot zwaais, Marie. Fijne Kerst.



aaprijdtkever.nl is een project van Jeroen.
Je kunt het lezen, of niet.

© Jeroen Kraakman 2007-2017